Welkom bij de Sprookjes van Grimm

De broers Jacob Grimm en Wilhelm Grimm begonnen omstreeks 1806 met het verzamelen van Duitse sagen. Vanaf 1812 publiceren ze hun verzameling met 201 sprookjes en 10 kinderlegenden onder de titel "Kinder- und Hausmärchen".  De uitgave wordt enorm populair, ook in Nederland.

Op verzoek van de Utrechtse uitgever De Haan start Anton Pieck in 1940 met het illustreren van de sprookjes en legenden. In 1942 verschijnt het boek  "Grimm" met de illustraties van Anton Pieck, dit is de oorspronkelijke versie van "Kinder- und Hausmärchen" vertaald door mevr. M.M. de Vries-Vogel. Het boek bevat vele zwart-witplaten, zowel paginavullend als in klein formaat, en bovendien een aantal grote platen in kleur. Pieck geeft zelf aan dat het misschien wat raar mag lijken om tijdens de ellendige oorlogsjaren sprookjes te tekenen, maar ‘het gaf de mogelijkheid de narigheid even te vergeten'. Dit boek vestigde ook Anton Pieck's reputatie als sprookjesboek-illustrator.

Foto: de eerste uitgave getiteld "Grimm" uit (1942)
Foto: de eerste uitgave: "Grimm" uit (1942)

Ik baseer mij (op deze Club) op de heruitgave uit 1984"De Sprookjes van Grimm, geïllustreerd door Anton Pieck". Regelmatig kun je op de club sprookjes en illustraties vinden uit dit boek, en enige achtergrondinformatie over de oorspronkelijke auteurs, de "gebroeders Grimm". Het boek bevat maar liefst 201 sprookjes en 10 kinderlegenden en heeft dan ook 524 bladzijden en weegt meer dan 1500 gram.

Heruitgave 1984 "Sprookjes van Grimm"
Heruitgave 1984 "Sprookjes van Grimm"

Tip: Bekijk ook het videoalbum, met 25 verfilmingen van Grimmm sprookjes. Deze zijn Nederlands gesproken (uitgezonden bij de NPO en Canvas) en prachtig gemaakt door de Duitse omroep ARD.

Veel leesplezier.
 Casper (RotterdamBoy) 

Historie: De Gebroeders Grimm

Bijna alle kinderen houden van sprookjes, bijna alle volwassenen eveneens. Hoe dat komt,
is niet zo moeilijk te verklaren: in sprookjes is alles mogelijk. De stoutste dromen komen uit
en bovendien wordt vrijwel altijd de deugd beloond en het kwaad gestraft. Deze ijzeren
wetten gelden onverkort voor de sprookjes die door de Gebroeders Grimm werden verzameld en
gebundeld in het boek "Kinder- und Hausmârchen", gepubliceerd in 1942.
 

Illustratie gebroeders Grimm: Anton Pieck

De broers Grimm, Jacob (1785 - 1863) en Wilhelm (1786 - 1859), waren vanuit hun
vakgebied - ze waren beiden taalgeleerden - geïnteresseerd in folklore, en dan vooral in de Duitse. Oorspronkelijk waren ze beiden bezig met het verzamelen van sprookjes, maar later zorgde Wilhelm voor het belangrijkste aandeel, omdat Jacob o.a. door zijn hoogleraarschap in
Gôttingen en zijn werk aan de „Deutsche Grammatik" in beslag genomen werd.

Die verandering in taakverdeling tussen beide broers is merkbaar in de sprookjes: Jacob wilde de eigenlijke vorm zo strak mogelijk handhaven, Wilhelm had de neiging de sprookjes wat
'afgeronder' en wat kinderlijker te noteren. In vergelijking met de eerste druk zijn de latere versies
meer versierd door Wilhelms creatieve inbreng.

De sprookjes van Grimm zijn volkssprookjes, die een aantal vaste kenmerken hebben.
Omdat ze oorspronkelijk mondeling werden overgeleverd, bijvoorbeeld van moeder op
kinderen, onder het werk of in herbergen, is de vorm eenvoudig en een auteur is meestal niet bekend. 

l. DE KIKKERKONING OF IJZEREN HEIN
Originele titel: Der Froschkönig oder der eiserne Heinrich
- Dit sprookje is uitgebeeld in de Efteling
- Er is een video beschikbaar bij Videoalbums

In oude tijden, toen wensen nog hielp, leefde er eens een koning. Hij had heel mooie doch-
ters, maar de jongste was zo mooi, dat de zon zelf, die toch veel gezien heeft , warm
werd, als hij haar in 't gezicht scheen.
 

Illustratie: Anton Pieck

Dicht bij het koningsslot was een groot, donker bos. En in dat bos onder een oude linde was
een bron; als het overdag heel warm was, liep het koningskind naar buiten, het bos in en
ging zitten op de rand van de koele bron. En als ze zich verveelde, nam ze een gouden bal,
gooide die op en ving hem weer; en dat was haar liefste spel.

Nu gebeurde het eens, dat de gouden bal van de koningsdochter niet in de handjes viel die
ze had opgeheven, maar daarlangs op de grond kwam en regelrecht het water in rolde. De
koningsdochter keek hem na, maar de bal was weg, en de bron was diep, zo diep, dat ze de
bodem niet zag. Toen begon ze te schreien en ze schreide steeds luider en ze wist zich geen
raad meer. En toen ze zo jammerde, riep een stem haar toe: „Wat is er toch, koningsdoch-
ter? Je schreit of je een steen wilt vermurwen.' ' Zij keek rond, waar die stem vandaan
kwam; daar opeens zag ze een kikker, die zijn dikke, lelijke kop uit het water opstak.

„Och, ben jij het, oude waterplasser," zei ze, „ik schrei om mijn gouden bal, die in de bron
gevallen is.' ' „Wees maar stil en schrei niet meer,' ' antwoordde de kikker. „Ik weet er wel raad
op; maar wat zou je mij geven, als ik je speelgoed weer opdook?' ' Watje maar wilt, lieve
kikker,' ' zei ze, „mijn kleren, mijn parels en juwelen, en ook nog de gouden kroon die ik al-
tijd draag.' ' De kikker antwoordde: „Je kleren, je parels en juwelen en de gouden kroon,
daar heb ik niets aan; maar wanneer je van mij houden wilt, en ik je makker en je speelge-
noot mag zijn, naast je zitten aan tafel en van het gouden bordje eten, uit je kroesje drinken
en in je bedje slapen, wanneer je me dat allemaal belooft, dan zal ik onderduiken en je gou-
den bal halen.' ' „Wel ja,' ' zei ze, „ik beloof je alles wat je maar wilt, als je de bal maar te-
rugbrengt." Zij dacht echter: „Wat praat die kikker dom, die zit in 't water bij de andere
kikkers en kwaakt en de vriend van een mens kan hij toch niet zijn.' '

De kikker dook, toen hij de belofte hoorde; hij zwom omlaag, en na korte tijd kwam hij weer
omhooggeroeid, had de bal in zijn bek en liet die in 't gras vallen. De koningsdochter was
zielsblij, toen ze het mooie speelgoed weer zag; ze raapte hem op en sprong ermee weg.
„Wacht even, wacht even," riep de kikker, „neem mij mee, ik kan niet zo hard lopen als
jij!". Maar wat hielp 't hem, dat hij haar zijn kwek-kwek zo luid nariep als hij kon! Ze luis-
terde er niet meer naar, vloog naar huis, en had het arme dier al vergeten — dat nu weer in
de bron moest duiken.

De volgende dag was de koning juist met de hele hofhouding aan tafel gegaan en zij at van
haar gouden bordje, toen daar plits plats, plits plats iets de marmeren trappen op wipte, en
toen hij boven gekomen was, klopte hij op de deur en roep: „Koningsdochter, jongste ko-
ningsdochter, doe open!' ' Zij stond op en wilde kijken wie daar was, maar toen ze de deur
Opendeed, zat daar alleen de kikker. Ze deed de deur haastig dicht, ging weer aan tafel zit-
ten, en beefde van angst. De koning zag 't kloppen van haar hartje wel, en zei: „Maar kind,
wat ben jij bang; zit er een reus voor de deur om je mee te nemen?' ' ,Och nee," zei ze,
reus is het niet, maar wel een vieze kikker.' '

„Wat wil die kikker van je?" „Och Vaderlief
toen ik gisteren in 't bos was en bij de bron zat te spelen, toen viel mijn gouden bal in het
water. En omdat ik er zo om schreide, heeft de kikker hem weer voor me opgezocht, en
dat hij het absoluut wilde, beloofde ik hem mijn vriendschap, maar ik dacht niet dat hij uit
het water kon. Nu staat hij buiten en wil bij mij binnen.' ' Daar werd voor de tweede
op de deur geklopt en ze hoorden:

„Doe open, prinsesje doe open!
Weet je niet wat je gisteren hebt beloofd bij de koele bron?
Doe open, prinsesje doe open!"


Toen zei de koning: „Wat je beloofd hebt, moet je ook doen, sta maar op en
doe hem open.' ' Ze ging de deur opendoen; daar sprong de kikker binnen,
steeds vlak achter haar voetjes, tot dichtbij haar stoel. Daar zat hij en zei:
„Je moet me optillen.' ' Zij aarzelde, tot eindelijk de koning het gebood.
Toen de kikker eenmaal op een stoel zat, wilde hij op tafel, en toen hij daar
zat, zei hij: „Schuif nu het gouden bordje aan, zo dat we samen eten.' '

Dat deed ze, maar het was wel duidelijk, dat ze het niet graag deed. De kikker at lekker, maar haar stokte het eten in de keel. Ten slotte zei hij: „Ik heb heerlijk gegeten en nu ben ik moe, neem me mee naar je eigen kamertje, maak je zijden bedje in orde, dan zullen we gaan slapen."
Toen begon de prinses te schreien en was bang voor de koude kikker die ze niet durfde aanpakken en die dan nog in haar lekkere frisse bedje zou slapen.

Maar de koning werd boos en zei:
, Wie je geholperi heeft, toen je in nood was, mag je niet verachten." Toen pakte ze hem met
twee vingers op, en droeg hem naar boven en zette hem in een hoek. Maar toen ze in bed
lag, kwam hij aangehupt en sprak: „Ik ben moe, ik wel net zo goed slapen als jij, neem me
op of ik zeg het tegen je vader.' ' Toen werd zij wel zo boos, dat ze hem oppakte en tegen de
muur gooide: „Nu zul je kunnen rusten, jij vieze kikker!' '

Maar toen hij neerviel, was het geen kikker, maar een prins met mooie, vriendelijke
Nu was hij mèt de wil van haar vader haar lieve metgezel en haar gemaal. Toen vertelde hij
haar, dat hij door een boze heks betoverd was en niemand had hem van de bron kunnen
lossen dan alleen zij, en morgen zouden ze samen naar zijn land gaan. Toen sliepen ze in,
maar de volgende morgen, toen de zon hen wekte, kwam er een koets aan, met acht witte
paarden bespannen, en die hadden witte struisveren op hun hoofdstel en de leidsels waren
gouden kettingen, en daarachter stond de dienaar van de jonge koning, de trouwe Hein. De
trouwe Hein was zo bedroefd geworden, toen zijn heer in een kikker was betoverd, dat hij
drie ijzeren ringen om zijn hart had laten slaan, zo dat het niet van verdriet en treurnis
brak.

De koets zou de jonge koning naar zijn eigen koninkrijk brengen; de trouwe Hein zet-
te hen beiden in de koets, klom achterop en was overgelukkig met de verlossing uit de tove-
rij. En toen ze een eind gereden hadden, hoorde de prins dat er iets achter hem viel als of
het brak.

Toen draaide hij zich om en riep:
„Daar breekt de wagen, Hein.' '
„Dat zal geen wagen zijn,
o prins, maar 't is een ring van 't hart,
die steun moest geven in mijn smart,
toen u in de bron ging wonen
en u als kikker moest vertonen.

Nog eens en nog een derde keer brak er ijzer op de weg, en de prins dacht aldoor dat de
koets brak, maar het waren alleen de ijzeren ringen die van 't hart van de trouwe Hein afvie-
len, omdat zijn prins nu verlost was en gelukkig.

= Einde =

4. DE WOLF EN DE ZEVEN GEITJES
Originele titel: Der Wolf und die sieben jungen Geisslein.
- Sprookje uitgebeeld in De Efteling

Er was eens een oude geit, die zeven jonge geitjes had, en ze hield van de geitjes zoals een moeder van haar kinderen houdt. Op een dag wilde ze 't bos in gaan om eten te zoeken, toen riep ze alle zeven geitjes bij elkaar en zei: „Lieve kinderen, ik wil uitgaan naar het bos, wees op je hoede voor de wolf. Als die binnen komt, hapt hij jullie allemaal op met huid en haar, Die booswicht heeft allerlei streken, zodat je hem niet zult herkennen; maar aan zijn rauwe stem en aan zijn zwarte poten zul je zeker dadelijk weten wie hij is.' ' De geitjes zeiden: „Moederlief, we zullen goed oppassen, gaat u gerust weg." Toen blaatte de geit en ging getroost op weg.

Het duurde niet lang, of iemand klopte aan de deur en riep: „Doe open, lieve kinderen, hier is jullie moeder, en ik heb voor ieder van jullie wat meegebracht." Maar de geitjes hoorden aan de rauwe stem, dat het de wolf was. „We doen niet open!' ' riepen ze, „je bent onze moeder niet, die heeft een fijne en mooie stem, maar jouw stem is rauw; je bent de wolf!" Toen ging de wolf naar een marskramer en kocht een groot stuk krijt; dat at hij op en z'n stem werd heel fijn. Dan keerde hij terug, klopte aan de deur en riep: „Doe open, lieve kinders! hier is jullie moeder, en ik heb voor ieder van jullie wat meegebracht!' '
 

Illustratie: De wolf en de zeven geitjes (Anton Pieck)

Maar de wolf had zijn zwarte poten in 't raamkozijn gelegd, dat zagen de kinderen en riepen: „We doen niet open! Onze moeder heeft geen zwarte poten zoals jij, je bent de wolf!" Toen liep de
wolf naar een bakker en sprak: „Ik heb mijn poot gestoten, strijk er eens wat deeg over.' ' En toen de bakker de poten bestreken had met deeg, liep hij naar de molenaar en zei: „Strooi eens wat meel over mijn poten.' ' Demolenaar dacht: „Die wolf wil iemand bedriegen" en hij wilde 't niet doen, maar de wolf zei: „Als je 't niet doet, dan eet ik je op." Toen werd hij bang en maakte de wolfspoten wit. Ja, zo zijn de mensen.

Nu ging de booswicht ten derdenmale naar de huisdeur en sprak: „Doe open, kinderen! Jullie lief moedertje is thuisgekomen en heeft voor elk van jullie iets uit het bos meegebracht.'  De geitjes riepen: „Eerst je poten laten zien, zodat we weten of je ons lief moedertje bent.' ' Toen legde hij zijn poten op het raamkozijn, en toen ze zagen, dat die wit waren, geloofden ze ook dat alles waar was, wat hij gezegd had, en ze deden de deur open.

Maar wie binnenkwam, dat was de wolf. Ze schrokken en wilden zich verstoppen. De één sprong onder tafel, de tweede in bed, de derde in de kachel, de vierde in de keuken, de vijfde in de kast, de zesde onder de wasbak en de zevende in de kast van de hangklok. Maar de wolf kreeg ze allemaal te pakken en zonder veel vijven en zessen slokte hij de een na de ander naar binnen.
Alleen de jongste in de klokkast, die vond hij niet.

Toen de wolf zijn honger gestild had, strompelde hij weg, ging buiten liggen in de groene wei onder een boom en ging slapen. Niet lang daarna kwam de oude geit uit 't bos weer naar huis. Ach, wat moest ze zien! De deur stond wagenwijd open, tafel, stoelen en banken waren omvergegooid, de wasbak lag in scherven, dekens en kussen waren uit bed getrokken. Zij zocht haar kinderen. Maar die waren nergens te vinden. Ze riep ze achter elkaar bij hun naam. Niemand antwoordde.

Eindelijk kwam ze aan de naam van de jongste toe. Toen riep een fijn stemmetje: „Lieve moeder,
ik ben in de kast van de hangklok.' ' Ze haalde hem te voorschijn; en hij vertelde haar, dat de wolf gekomen was en al de anderen had opgegeten. Wat heeft ze om haar arme kinderen geschreid!
Eindelijk ging ze in haar wanhoop naar buiten, en 't jongste geitje liep mee. Toen ze in de wei kwam, lag daar de wolf onder de boom, en snurkte, dat de takken trilden. Ze bekeek hem nauwkeurig en zag dat in zijn opgezette buik iets bewoog en trappelde. „Ach,' ' dacht ze, „zouden mijn arme kinderen, die hij als avondboterham heeft opgeslokt, nog in leven zijn?" Toen moest 't kleine geitje gauw naar huis lopen en schaar en naald en draad halen.

Daarmee knipte ze het ondier de buik open, en pas had ze één knip gedaan of daar stak een
geitje al zijn kop naar buiten, en toen ze verder knipte, sprongen ze achter elkaar alle zes
naar buiten en ze leefden nog allemaal en mankeerden niets, want hij had ze in zijn geschrok ineens opgeslokt. Dat was een vreugde! Ze kusten hun lieve moeder en sprongen als een kleermaker op zijn bruiloft. Maar de oude geit zei: „Gaan jullie nu eens veldkeien zoeken, daarmee zullen we 't ondier de buik vullen, nu hij nog in slaap is.' ' Nu sleepten de zeven geitjes in allerijl veldkeien aan, en staken ze hem in zijn buik, zoveel ze er maar in konden stoppen.

Toen naaide de oude geit alles vlug weer dicht, terwijl hij niets merkte en niet eens bewoog. Toen de wolf eindelijk uitgeslapen was, ging hij overeind staan en omdat de stenen in zijn maag hem grote dorst bezorgden, wou hij naar een bron om te drinken. Maar toen hij begon te lopen en te bewegen, stootten de keien in zijn maag tegen elkaar en rammelden. Toen riep hij:

, Wat rommelt en stommelt daar binnen dooreen?
Die malse zes geitjes ze lijken wel steen!"

En hij ging naar de bron en boog zich naar 't water en wilde drinken, maar toen sleepten de
zware stenen hem naar de diepte en hij verdronk. Toen de zeven geitjes dat zagen, kwamen
ze aangelopen en voerden met hun moeder een rondedans om de bron.

= Einde =

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: